|
Workshop Campus: Auteur: WiMBY! Datum: 05 juni 2003 |
|||
| Inhoud: * Deel I. Tramhuis * Inleiding Michelle Provoost (WiMBY!) * Presentatie Caroline de Vlaam (dS+V) * Algemene opmerkingen en vragen * Deel II. Excursie * Einddiscussie o.l.v. W. Vanstiphout (WiMBY!) |
||||
![]() Deel I. Tramhuis Aanwezig: C. de Vlaam (dS+V), B. Spee, A. van der Slik, J. van Bergen, S. Steens, (Zadkine), M. Röder (Einstein), J. de Kreuk (Einstein), L. Jongejans (Einstein), W. Lofvers, D. Doepel, G.J. Enzerink (Penta), P. Toornend, M. Provoost, A. Pronkhorst, W. Vanstiphout en W.Kempinga. Inleiding Michelle Provoost (WiMBY!) Oorspronkelijk was het voornemen voor een scholencomplex gepland op de Unielocatie, aansluitend op het centrum. Door de gedeelde voorzieningen ervan zou de Unielocatie een functie krijgen voor Hoogvliet als geheel. Er kleefden echter een aantal nadelen aan deze locatie. De scholen gaven aan ook kleinschaligheid te willen binnen een Campus in plaats van onderdeel te zijn van een groot moloch. Door de locatiekeus te toetsen aan Logica, een initiatief van WiMBY! dat over de ruimtelijke logica van Hoogvliet gaat en die de basis van de toekomstige planning in Hoogvliet vormt, bleek de locatie een aantal tegenstrijdigheden op te leveren. Uit Logica werd bovendien geconcludeerd dat het metrostation Zalmplaat onderbenut wordt vanwege haar excentrische ligging. Om sloop van het station te voorkomen moet er voor gezorgd worden dat de stad naar de metro toekomt in plaats dat deze zich er vanaf keert. Daarnaast worden een groot aantal portiek-etageflats afgebroken rond het station en moet het gebied een nieuwe functie krijgen. Dit zou een uitgelezen kans zijn voor een Campus. WiMBY! vroeg om deze reden Rients Dijkstra (Maxwan) schetsen (zie: Campus in de stad. Een eerste getekende impressie van MAXWAN, architecten en stedenbouwers.) te laten maken van een voorstelling op deze locatie. Hieruit bleek dat de locatie voldoende mogelijkheden bood tot ontwikkeling. Presentatie Caroline de Vlaam (dS+V) De Vlaam presenteert aan de hand van kaartmateriaal een aantal ruimtelijke voorwaarden waarmee de architecten rekening moeten houden in hun ontwerp: * Het stedenbouwkundige model waarmee gewerkt zal worden, volgend uit Logica, is de groene gordel met hierin de gescheiden wijken. * De huidige woningdichtheid bedraagt 60 woningen per hectare. Het is niet duidelijk in hoeverre dit getal in de toekomst gehandhaafd wordt. * De te slopen gebieden worden als vrije velden uitgegeven voor de architecten. * Het metrostation ligt nu in de groenstructuur. Eén van de opgaven in de workshop is hoe hier mee om te gaan. * Het gebied is opgedeeld in drie karakters: tuinstad/Vinex (Oedenvlietse park), versterking van het midden (bestaande woonveld) en experiment (ruimte voor de architecten). * De kerk Levende Steen zal verhuizen naar een locatie aan de zuidzijde van de metrolijn, aan de Aveling. * Eventueel een deel van de geplande 28 hectare water invoegen in het gebied vanwege waterhuishoudkundige overwegingen. Dit mag echter geen dode plas worden. * Aandacht besteden aan buitenruimte voor de scholen. * In het nabijgelegen Oedenvlietse park zijn al twee sportvelden aanwezig waarvan de scholen gebruik maken. Deze voorzieningen hebben dus geen prioriteit in het ontwerp. * Aandacht besteden aan sociale veiligheid. * Meerwaarde van Campus voor Hoogvliet in het algemeen in oog houden * Inpassing van de Campus in de bestaande structuur van de tuinstad. * De huidige parkeernorm is 1.8 per woning. Eventueel timesharingmogelijkheden met parkeerplaatsen voor de Levende Steen uitzoeken. Algemene opmerkingen en vragen: * Het is belangrijk dat de architecten rekening houden met de fasering van de sloop in de wijk. * De te herbouwen woningen dienen ook meegenomen te worden in het ontwerpproces, het precieze aantal staat echter niet vast. * Daarnaast speelt het metrostation Zalmplaat en de vernieuwing ervan een zeer belangrijke rol. * Rekening houden met de toekomstige regionale uitstraling van de Campus. * Hoe kan je de tuinstadgedachte verenigen met 60 woningen per hectare? De tuinstadgedachte en hoeverre deze van toepassing is in Hoogvliet is hierdoor niet duidelijk. * Wat is het huidige aandeel van leerlingen dat met de metro reizen. * De leerlingen van het Einstein Lyceum bewegen zich vooral met de fiets. Van de leerlingen van het Penta College komt ongeveer 30 procent met metro of bus. |
||||
Deel II. Excursie![]() ROC Zadkine, onder leiding van S. Steens Zadkine is een VMBO-school met 120 leerlingen. Naast het reguliere onderwijs is er ook een afdeling educatie voor de inburgering van volwassenen in de avond. Er blijkt in Zadkine gebrek te zijn aan praktijkruimte. In de Campuslocatie zou de school dan ook meer praktijkruimte zoals een oefenwinkel en een kledingzaak terug willen vinden. Daarnaast is er behoefte aan ruimte voor een kinderopvang voor de deelnemers aan het educatieprogramma en eventueel de leerlingen zelf. Penta College, onder leiding van G.J. Enzerink Einstein Lyceum, onder leiding van L. Jongejans, J. de Kreuk en M. Röder Einstein Lyceum is met zijn 800 leerlingen een zogenaamde theoretische school. Met andere woorden, een scholengemeenschap waarin havo, atheneum en gymnasium wordt aangeboden. Bij het Einstein Lyceum gaat het om een ander type school, omdat er niet zozeer behoefte is aan praktijkruimte. Wensen voor de toekomst zijn een auditorium, zelfstandige leerruimtes variërend in grootte naast de algemene klassikale ruimtes. De wens van Einstein in de Campus is om te beschikken over een eigen gebouw maar wel gebruik te maken van een aantal gezamenlijke voorzieningen. De wens gaat uit naar overzichtelijke lokalen met een stedenbouwkundige intimiteit. In het Einstein Lyceum zal de docent zich in de toekomst meer en meer ontwikkelen als coach van leerlingen. Hierdoor behoeft de school een nieuwe vorm van klaslokalen en meer individuele werkplekken ingericht met computers (verhouding 1:5). Daarnaast zal er ook ruimte gecreëerd moeten worden voor docenten zelf. Einstein streeft voor de toekomst naar een netwerksysteem waarbij iedereen vanuit thuis kan inloggen. Einstein spreekt ten slotte de wens uit voor een eigen mediatheek, in combinatie met een algemene bibliotheek voor alle drie de scholen. Einddiscussie o.l.v. W. Vanstiphout (WiMBY!) Aanwezig: D. Bak, J. van Bergen, J. Cornelissen, D. Doepel, J. van Eenennaam, G. Enzerink, E. Geraets, M. Hagen, O. den Hartogh, T. van Heusden, P. Hoogvliet, L. Jongejans, T. Kastelijn, W. Kempinga, J. de Kreuk, W. Lofvers, L. Oortwijk, K. van Pelt, A. Pronkhorst, M. Provoost, M. Röder, S. Rots, E. Schieven, A. van der Slik, B.Spee, S. Steens, P. Timmers, P.Toornend, W. Vanstiphout, C. de Vlaam. Campus als aanvulling op het stadshart van Hoogvliet? Wouter Vanstiphout vraagt aan het dagelijks bestuur van Hoogvliet welke Hoogvlietse voorzieningen een rol zouden moeten spelen in de toekomstige Campus. Wat is precies de urgentie of wel de buitenkans van de Campus? Cornelissen antwoordt dat de deelgemeente niet op zoek is naar een leerlingenfabriek waarin leerlingen slechts een nummer zijn. De deelgemeente streeft naar een Campus waarin de drie verschillende scholen hun eigen identiteit behouden en elkaar tegelijkertijd versterken. Vooral doorstroming en uitval van het VMBO moet hiermee opgevangen worden. Kees van Pelt vult aan dat de oorspronkelijke Unielocatie was gekoppeld aan het stadshart van Hoogvliet terwijl de Campus gelegen zal zijn in een woonwijk. Hierdoor zal de Campus, naast de onderwijskundige functie ook een sociaal culturele rol in de wijk moeten vervullen. Hoogvliet heeft ook plannen gemaakt voor een Multifunctioneel Cultureel Centrum (MFCC) waarin waarschijnlijk voorzieningen als een grand café, informatiecentrum, bibliotheek en een cultureel podium gehuisvest worden. Er zal over nagedacht moeten worden welke voorzieningen eventueel op termijn zullen verhuizen naar de Campus en welke in het centrum van Hoogvliet blijven. De Campus zal dus ook een rol voor heel Hoogvliet spelen. Vanstiphout vraagt E. Geraets (deelgemeente) naar de mogelijkheden en de keerzijde van de verweving van de Campus in de Meeuwenplaat. Hij antwoordt dat de Campus een stimulerende ontplooiingsplek voor kinderen en ouders moet zijn. Hierdoor is de Campus op het gebied van cultuur en werkgelegenheid van groot belang. Dit ontbreekt op dit moment. Deze elementen zullen stevig ingebed moeten worden in het toekomstige gebouw. Er moet gesport, gedanst en muziek gemaakt kunnen worden. Geraets stelt vervolgens voor of er geen woningen voor starters aan toegevoegd kunnen worden. Afwegingen als deze moeten gemaakt kunnen worden. Waarschijnlijk zijn de plannen voor een Campus erg ambitieus maar in potentie zijn er mogelijkheden. Rol van de Dienst Stedelijk Onderwijs Vanstiphout vraagt T. van Heusden (DSO) of dergelijke extra voorzieningen binnen een Campus financieel mogelijk zijn. Van Heusden legt uit dat de Dienst Stedelijk Onderwijs aanvragen van schoolbesturen beoordeelt. Scholen dienen aan een aantal normen te voldoen voordat er geld ter beschikking wordt gesteld door de dienst. Voorbeelden van deze normen zijn onder andere de toename van het aantal leerlingen, de staat van het gebouw etc. De Campus voldoet formeel niet aan deze criteria. Er is echter een convenant opgesteld waarin staat dat het huidige VMBO-onderwijs van dergelijke slechte kwaliteit is dat hier extra aandacht aan besteed moeten worden. Hiervoor heeft DSO een meerjarig programma tot 2006 opgesteld waarin 145 miljoen euro is gereserveerd voor de verbetering van het VMBO. De Campus past in haar opzet binnen deze regeling. Verticale samenwerking tussen de scholen is essentieel om voortijdige uitval tegen te gaan. Een andere eis van DSO is een zo snel mogelijke realisering van de Campus. 2006 is de deadline zoals deze ook voor de Unielocatie was vastgesteld. DSO is er echter niet voor de extra voorzieningen binnen het complex. Van Heusden maakt zich dan ook zorgen om de ambitieuze plannen voor de Campus, omdat er geen financiële middelen zijn om deze op te vangen. Op zeer korte termijn moet duidelijk worden hoe men dit financieel denkt op te vangen. Daarnaast zal de termijn van 2006 op deze manier nooit gehaald worden. Bovendien moeten de huidige scholen ook onderhouden moeten worden en ontstaan er daardoor meerkosten. Het is essentieel dat er helderheid in soort en hoeveelheid voorzieningen ontstaat anders zal men terugmoeten keren naar de Unielocatie. Geplande sloop op de Zalmplaat Vanstiphout merkt op dat de Campus een rol zal gaan spelen in de herontwikkeling van de wijk, waarvan het woningbezit voornamelijk in handen is van de woningcorporatie WoonbronMaasoevers. In deze wijk wordt op termijn een groot aantal woningen gesloopt. Vanstiphout vraagt aan J. van Eenennaam (Maasoevers) in hoeverre de tijdsdruk van de sloop en de bouw van de Campus gecombineerd c.q. opgelost kan worden en waarin Maasoevers de kansen van Campus ziet. Van Eenennaam refereert aan de totstandkoming van de basisschool De Scharnier in de wijk Tussenwater, waarin WoonbronMaasoevers een aanzienlijke rol heeft gespeeld. Bij deze opgave was de problematiek min of meer dezelfde. Het is gelukt om deze school in een zeer korte periode te bouwen. Voor Maasoevers vormt goed onderwijs in een wijk een toegevoegde waarde in het verhuren en verkopen van woningen. Wat betreft de Campus wordt in 2004 bekeken hoeveel woningen er precies gesloopt worden in Meeuwenplaat. De fasering ervan is echter nog een open discussie. Het argument van de Campus zal een rol kunnen spelen in de uiteindelijke fasering van de sloop. Hoeveel woningen er uiteindelijk teruggebouwd zullen worden kan ook naar aanleiding van de Campus-ontwerpen opnieuw bekeken worden. De tweede grote woningcorporatie Vestia heeft weliswaar geen direct verband met de Meeuwenplaat en de Campus maar wil wel een bijdrage leveren aan de Campus, omdat er over het algemeen een positieve wisselwerking tussen wonen en onderwijs bestaat. Volgens P. Hoogvliet (Vestia) kan een Campus als deze een grote aantrekkingskracht hebben op jongeren. Hoogvliet adviseert echter snel een haalbaarheidsonderzoek te laten doen naar de precieze rollen van alle partijen in de Campus-ontwikkeling. Van Eenennaam is van mening dat Maasoevers al een reikende hand heeft geboden en vindt dat de DSO ook een flexibelere houding zou moeten innemen. Van Heusden werpt hier tegenin dat eventuele uitloop naar 2007 een mogelijkheid is maar bijvoorbeeld 2012 niet. K. van Pelt benadrukt dat het in dit geval gaat om een gigantisch project op nationaal niveau en dat de wethouders Pastors, Van der Tak en Bolsius informeel reeds hebben ingestemd. Wanneer er via een hogere bestuurslaag wordt vastgesteld dat Campus er komt zal DSO toch geld moeten reserveren. J. van Bergen (ontwerper) vraagt zich af wat de toekomstige plannen voor Meeuwenplaat zijn en welke en hoeveel woningen er gebouwd zullen worden. Van Eenenaam antwoordt opnieuw dat er op dit moment aan gewerkt wordt maar nog niet geheel duidelijk. Wanneer er uitmuntende plannen voor de Campus ontworpen worden met een positieve uitstraling naar de wijk toe, kan er meer duidelijkheid ontstaan. Vooralsnog zal de markt een belangrijke rol spelen in plaats van vooropgezette blauwdrukken. Ook zullen er in de toekomst nieuwe concepten als jongerenhuisvesting en dergelijke worden afgetast. Al met al is de toekomst van Meeuwenplaat nog onzeker. Algemene opmerkingen m.b.t. plan van eisen E. Schieven (OBR) vraagt zich af of er ook nagedacht wordt over het gebruik van het bestaande kabelnetwerk op Meeuwenplaat, aangezien het verleggen ervan een kostbare zaak is. In de structuurschets is bovendien een keuze gemaakt dat het stadshart winkelvoorzieningen aanbiedt. Dit betekent dus dat deze voorzieningen niet bij de Campus worden getrokken. De locatie van de Campus leent zich echter goed voor een relatie tussen wonen en werken. De Campus zou in de toekomst door de nabije bedrijvigheid eventueel ook stageplaatsen voor VMBO-leerlingen kunnen verschaffen.Er zal ook gekeken moeten worden naar de relatie met het metrostation. Het programma van eisen voor de Campus zal breder moeten worden. O. den Hartogh (ROC Zadkine) reageert op het verhaal van ruimtelijk vormgever T. Kastelijn en meent dat de doelgroep in de Campus duidelijk geformuleerd moet worden. Het gaat in de Campus niet om studenten maar om VMBO-leerlingen. Deze hebben een zeer specifiek eisenpakket. Het is van belang dat er met deze leerlingen gesproken wordt in plaats van bovenaf erover te regeren. L. Oortwijk vult aan dat de huidige gebouwen in Hoogvliet in redelijke staat verkeren maar niet aansluiten op de huidige onderwijsvormen. |
||||
| Laatst gewijzigd: 26 nov 2003 |