|
Campusworkshop tussenpresentatie Datum: 04 juli 03 Locatie: Einstein Lyceum Auteur: WiMBY! |
|||
| Inhoud: * Campusworkshop tussenpresentatie * Presentatie Lofvers, Kolpa & van Bergen * Presentatie Spee Slik Doepel * Presentatie Paul Toornend, This way Hoogvliet * Discussie |
||||
| Campusworkshop tussenpresentatie Aanwezig :J. van Bergen, D. Doepel, E. Hooge, B. Janssen, L. Jongejans, W. Kempinga, E. Kolpa, W. Lofvers, A. Pronkhorst, M. Provoost, M. Roder, I. van Rotterdam, S. Rots, A. van der Slik, B. Spee, S. Steens, P. Toornend, W. Vanstiphout en C. de Vlaam Opzet Tijdens deze tussenbijeenkomst werd de bureaus gelegenheid gegeven hun voorlopige resultaten te presenteren. Na elke presentatie kregen de toehoorders tijd enige feitelijke vragen of opmerkingen te stellen. Aan het eind van alle presentaties was er ruimte voor inhoudelijke kritiek en discussie, onder leiding van W. Vanstiphout. Bovendien werden er lijnen uitgezet voor het vervolgtraject van de ontwerpopdracht. |
||||
| Presentatie Lofvers, Kolpa & van Bergen Het bureau presenteerde drie verschillende en mogelijke modellen voor de Campus. De relatie tussen de (bestaande) stad, de groenvoorzieningen en de ontwikkeling van het onderwijs vormde het uitgangspunt van de opgave. Op basis van gesprekken met de betrokken partijen, het bestuderen van plannen en het onderzoeken van diverse ontwikkelingstendensen zijn een aantal aandachtspunten geformuleerd. Deze zijn onder andere: identiteit van de scholen, bereikbaarheid, ruimtelijke context en fasering van de sloop. Op basis van deze overwegingen, analyses en inventarissen zijn de volgende drie modellen ontwikkeld elk voor een andere locatie: Classic Campus, City Campus en Carpet Campus. Ieder model reageert op specifieke locatie-eigen aspecten, opbouw van de wijk, groenvoorzieningen en een geformuleerde visie op het onderwijs. Classic Campus: Binnen dit model staan de individuele identiteiten van de scholen centraal en wordt uitgegaan van het bestaande kleinschalige karakter. De drie scholen worden gezamenlijk gevestigd in het groene hart van de wijk Meeuwenplaat rondom het bestaande park, volgens een klassiek Campus-model. Het voordeel van dit model op deze locatie is dat deze direct beschikbaar is waardoor het complex op korte termijn en goed gefaseerd uitgevoerd kan worden. Bovendien blijft de klassieke wijkopbouw in tact. City Campus: De Campus wordt in dit plan uitgewerkt als een onderwijsinstelling met regionale aantrekkingskracht. De Campus wordt als directe vertaling van het netwerkmodel letterlijk als een toren boven op het metrostation geplaatst. De scholen worden in één gebouw gehuisvest maar met behoud van eigen identiteit. Naast de Meeuwenplaat profiteert ook heel Hoogvliet mee. Rond het kruispunt van de metro en de Aveling worden grootstedelijke voorzieningen gevestigd zoals kantoren, commercie en hoogwaardige woonvormen. Het voordeel van dit model is dat het geen directe sloopproblemen geeft. Carpet Campus: In dit model is de Campus, waarin de relatie tussen studieprofielen van de verschillende scholen, voorzieningen en wonen centraal staan, een tapijt van voorzieningen geworden, verspreid door de wijk. Deze heeft bovendien de mogelijkheid om uit te groeien tot een welzijnscentrum voor heel Hoogvliet. Door de verweving van deze verschillende onderdelen ontstaat een integraal stedelijk model met een landelijk karakter dat 365 dagen per jaar in bedrijf is. Het nadeel van dit voorstel is dat voor de uitvoering een lang traject nodig is. In de volgende periode wil het bureau op basis van de aanbevelingen en kritiek een keuze maken voor een model en deze vervolgens uitwerken naar gebouwtype(n),ontsluitingsstructuur, beheer, integratie, identiteit etcetera. Presentatie Spee Slik Doepel Spee Slik Doepel doet een aantal voorstellen voor de Campus, op basis van zeer uitgebreide analyses van onder andere de opgave, de bestaande stedenbouwkundige situatie, de openbare ruimte en het programma. Niet het onderwijskundige programma is als uitgangspunt genomen, maar een te ontwikkelen stedenbouwkundige plan in Meeuwenplaat waarin uiteindelijk het scholenprogramma wordt geïmplementeerd. De presentatie was in verschillende deelonderzoeken uitgewerkt: In eerste instantie werd de opgave geanalyseerd waarbij vragen als waarom een campus in Hoogvliet en wat is de meerwaarde ervan centraal stonden. Bovendien werden de criteria op economisch, socio-cultureel en ruimtelijk gebied vastgesteld, zoals duurzaamheid, veiligheid, flexibiliteit, identiteit en functionaliteit. Er werd bepaald dat de plannen voor de Campus in elk geval aan deze criteria zou moeten voldoen. Vervolgens werd een analyse op verschillende schaalgebieden gepresenteerd namelijk: de regio, Hoogvliet, wijk en de buurt. Belangrijke uitgangspunten waren onder andere de bereikbaarheid op verschillende niveaus en de resultaten van de Logicastudie. De mogelijkheden voor een buurt-Campus of een wijk-Campus in de Meeuwenplaat werden aan de hand van pros en contras bekeken. Daarnaast werd de openbare ruimte geanalyseerd op onder andere het gebied van morfologie, de relatie bebouwde en onbebouwde gebieden, de relatie tussen privé-groen en groen in de openbare ruimte en ecologie. Opnieuw werden aan de hand van voordelen en nadelen de opties van individueel en collectief wonen maar ook van hergebruik van de bestaande gebouwen getoetst. Het laatste deelonderzoek richtte zich op het programma. De mogelijkheden van het clusteren of mengen van de schoolprogrammas in de Meeuwenplaat en de plaatsing van volumes ten opzichte van de locatie werden afgewogen. De relaties tussen onderwijs, wonen, voorzieningen en werken vormden een belangrijk aandachtspunt. Ten slotte werd een presentatie van diverse mengingsvarianten gegeven aan de hand van de voorgaande analyses en rekening houdend met factoren als tijd, afstand, functionele relaties, overlast/veiligheid en identiteit. In de komende periode tot aan de eindpresentatie zal het bureau zich bezig houden met de vervlechting van de onderzochte ingrediënten om uiteindelijk tot één model te komen. Presentatie Paul Toornend, This way Hoogvliet De gepresenteerde ontwerpschets is gekoppeld aan de bestaande situatie van Hoogvliet en in het verlengde daarvan de algemene problematiek van de naoorlogse wijken. Uitgangspunt van de schets zijn de lijnentekeningen van beeldend kunstenaar Stanley Brouwn die in de jaren zestig onderzoek deed naar het gedrag van mensen onder titel This Way Brouwn. Een andere inspiratiebron waren de door WiMBY! geïnitieerde Logicastudie (Groene Voegen) en de studie naar de Getijdengeul. De ontwerpschets is op te delen in twee voorstellen. Enerzijds wordt gekeken naar de beeldende landschappelijke eenheid van Hoogvliet en anderzijds naar het stedenbouwkundige plan voor de woonwijk in Meeuwenplaat. Er is niet gekozen voor een concrete uitwerking van het programma van eisen omdat deze als zeer relatief wordt beschouwd. Landschappelijke eenheid: Toornend stelt voor dat het bestaande dijklandschap op de Meeuwenplaat wordt doorgetrokken tot aan de Aveling. Het metrostation wordt opgenomen binnen deze structuur. Door middel van het doortrekken van de dijkstructuur kan er ruimte gecreëerd worden voor de toekomstige Campus, als kunstmatige natuurstructuur maar gekoppeld aan het metronetwerk. Ook de collectieve voorzieningen vinden hun plek binnen deze landschappelijke dijk. Doordat het landschap als bindende factor wordt genomen krijgen de scholen een uitstraling die verder reikt dan alleen de scholen zelf. De vormgeving en realisatie van het programma als landschappelijke ruimte waarborgt het behoud van de groene voeg. Stedenbouwkundig plan: Er worden negen lijnen/wegen gevoegd in het bestaande stedenbouwkundige plan van de Meeuwenplaat. Deze wegen worden geprojecteerd op de plekken die al bestaan, ze verbinden de wijk met de campus zonder de groenstructuur aan te tasten. De wegen zijn op zichzelf staand maar vormen tegelijkertijd een ruimtelijke eenheid. Ze lopen in principe dood maar verwijzen tegelijkertijd naar de oneindigheid van de natuur. Daarnaast zijn achttien voetpaden gevoegd in de bestaande structuur volgens hetzelfde principe als de negen wegen. Binnen deze hoofdstructuur gevormd door Campus, Getijdengeul, hoofdwegen, wegen en paden kan een invuloefening plaatsvinden door collectieve ruimtes/kavels (zoals parkeren) te koppelen aan de bouwmassas. Per kavel kan besloten worden welke delen gesloopt dienen te worden en welke kunnen blijven bestaan. Hierdoor ontstaat er op de lange termijn een reeks verschillende type ruimtes. En tenslotte wordt gekeken hoe deze kunnen worden ingevuld met verschillende soorten bebouwing. De gemeenschappelijke voorzieningen moeten worden opgenomen in de landschappelijke voegen. Discussie Haalbaarheid W. Vanstiphout vraagt B. Janssen (dS+V) een reactie te geven op de gepresenteerde projecten. B. Janssen toont zich erg ingenomen met de tot dusverre behaalde resultaten maar neemt toch de gelegenheid om per voorstel aan te geven in hoeverre deze uitvoerbaar zijn of waar eventuele problemen liggen. Bij de Classic Campus van Lofvers, Kolpa & van Bergen geeft zij aan dat de randen van het centrale parkgebied inmiddels al ver doorontwikkeld zijn en daarom geen ontwikkelingsruimte kunnen vormen bij de uitvoering van dit campus-model. Bij het voorstel van Spee Slik Doepel om de bestaande flatgebouwen te hergebruiken voor de campus vindt zij een interessant gegeven. Het is belangrijk dat het bureau er rekening mee houdt dat er in de toekomst een woonprogramma gehaald moet worden ondanks dat J. van Eenenaam (Maasoevers) eerder verklaarde nog geen concreet programma te hebben vastgesteld. Bovendien moeten er nog doelgroepen voor dit woonprogramma geformuleerd worden. Wat betreft de presentatie van P. Toornend constateert Janssen dat hij een grote vrijheid neemt ten opzichte van het programma van eisen en zij vraagt zich af hoe hij daar in de vervolgfase mee omgaat. Het is nog onduidelijk hoe het landschap en de bestaande bebouwing elkaar kunnen versterken. Hoewel het idee van het incorporeren van gebouwen in een dijklandschap erg aantrekkelijk is het geheel wat Janssen betreft nog enigszins vergezocht. Over het algemeen mist zij nog de rol van water is alle plannen. Reacties van de scholen W. Vanstiphout vraagt de participerende scholen of de architecten themas aangestipt hebben waar zij zelf nog niet aan gedacht hebben en of de gepresenteerde plannen nieuwe gedachten of eisen opleveren bij de scholen. L. Jongejans benadrukt dat het Einstein Lyceum in de Campus over een eigen gebouw wil beschikken zowel ruimtelijk-fysiek als inhoudelijk. Wat hen betreft is de onderwijskundige samenvoeging zoals in Carpet Campus gepresenteerd werd, onacceptabel. Vanwege de theoretische leerweg die op het Einstein gevolgd wordt is het noodzakelijk om de verschillende leerling-groepen met een andere pedagogische achtergrond fysiek te scheiden van elkaar. Kleinschaligheid in de Campus is wat Einstein betreft een must. Als reden hiervoor wordt aangedragen dat leerlingen graag voor ogen hebben waar zij later eindigen. Door hen in te delen in bijvoorbeeld leeftijdsgroepen gemengd met vmbo-leerlingen zou dit effect verloren gaan. Bovendien zijn de leerlingen op het Einstein theoretisch onderlegd en de leerlingen van Zadkine en Penta meer praktijkgericht. Voor beide groepen is in elk geval een afzonderlijk pedagogisch klimaat gewenst. Voorzieningen als sportruimtes, een auditorium en een bibliotheek zouden echter wel gedeeld kunnen worden. Ook S. Steens reageert op de tussenpresentatie. Hij complimenteert de architecten met de bereikte resultaten. Hij waarschuwt echter dat het van belang is dat er goed naar de wensen van de scholen geluisterd wordt om eventuele missers te voorkomen. Zijn voorkeur gaat uit naar een compact model in plaats van het fragmenteren van de gebouwen door de wijk. Dit levert waarschijnlijk te veel problemen op met de leerlingen. Het bijeenhouden van de gebouwen is dus wenselijk om grip te kunnen blijven houden op de leerlingen. In tegenstelling tot L. Jongejans kijkt Steens uit naar de positieve invloed van onder andere de gymnasiasten van het Einstein. Ook Steens is van mening dat de gedeelde voorzieningen zich vooral zullen beperken tot facilitair niveau. M. Roder benadrukt nogmaals dat vooral Zadkine en Penta veel overeenkomsten kennen vanwege het beroepsonderwijs dat op beide scholen wordt aangeboden. Zij concludeert dat de scholen eigenlijk op zoek zijn naar een constructie waarbij de scholen verspreid zijn door de wijk gecombineerd met één centraal gebouw, waarin diverse voorzieningen zijn ondergebracht. Echter met behoud van de scheiding tussen theoretische onderlegde en praktijkgerichte leerlingen. E. Hooge werpt hier tegenin dat deze behoefte aan scheiding slechts een interpretatie is en niet per definitie tot slechte resultaten hoeft te leiden. Daarnaast merkt zij op dat de presentaties ook onderwijsinhoudelijk gezien interessant zijn. Vooral Carpet Campus spreekt haar aan vanwege de onderwijskundige vernieuwing die hierin gepresenteerd wordt. Door dit specifiek vorm te geven in faculteiten worden de partijen gedwongen na te denken over onderwijsinhoudelijke vernieuwing. Volgens Hooge getuigt het van durf om Algemeen Vormend Onderwijs te integreren met beroepsonderwijs. Aan de ruimtelijke plannen liggen duidelijke vooruitstrevende onderwijsideeën ten grondslag. Bovendien is het interessant dat er vanuit de wensen van de leerlingen wordt gedacht. Wat haar betreft is het shockerend dat er nog een dergelijke scheiding bestaat tussen theoretische en beroepsonderwijs. Het blijkt een hardnekkig gegeven te zijn. In de Campus ziet zij mogelijkheden om deze problematiek op te lossen en dus ook inhoudelijk vernieuwend te zijn. Relatie met de wijk Meeuwenplaat Vanstiphout vraagt naar de mening van scholen over hun relatie met de wijk. Steens reageert hierop met de opmerking dat deze niet overdreven moet worden. Het delen van voorzieningen met de wijk is enigszins te rooskleurig voorgesteld. Het bijbrengen van respect van leerlingen voor de wijk is al een opgave op zich. Er wordt opgemerkt dat het wenselijk is om de scholen te voorzien van ruimtes als een IT- centrum of sportzalen maar deze moeten zo ontworpen zijn dat ze ook los van de scholen beheerd kunnen worden ten behoeve van de wijk. Vervolgtraject Ten slotte vraagt de voorzitter of de ontwerpers op basis van de voorgaande discussie een koerswijziging voor ogen hebben. Beïnvloeden de opmerkingen van de scholen het te volgen traject? P. Toornend reageert hierop met de opmerking dat het niet de taak van architecten is om een programma van eisen uit te werken. De taak van de ontwerper is ervoor te zorgen dat de scholen onderdeel van een landschap worden. De architect zal de schetsen in de komende periode verhelderen en uitwerken. E. Kolpa merkt op dat het thema pedagogisch klimaat erg veel terugkeert in de discussies en leidt tot veel tegenstrijdigheden bij de scholen onderling. Hij merkt bovendien op dat een pedagogisch klimaat niet te ontwerpen is. Dit is de taak van de scholen zelf. L. Jongejans antwoordt dat dit juist een bouwkundige randvoorwaarde vormt. Hij benadrukt nogmaals dat het niet wenselijk is om grote aantallen leerlingen te mengen. 800 leerlingen is het maximum, zoals op het Einstein. E. Kolpa brengt hier tegenin dat op universiteiten veel meer studenten zijn die allen ook volgens een gescheiden faculteitensysteem onderwijs volgen. Er wordt afgesproken dat WiMBY! individueel contact opneemt met de bureaus voor het vervolgtraject. |
||||
| Laatst gewijzigd: 26 nov 2003 |