Gerelateerd aan dit artikel:
* Workshop Campus Hoogvliet: introductie
* Workshop
* Tussenpresentatie
* Presentatie Plan Lofvers Van Bergen Kolpa
* Presentatie Plan SpeeSlikDoepel
* Presentatie Plan Paul Toornend
Campus workshop eindpresentatie
Auteur: WiMBY!
Datum: 08 september 2003
Locatie: ROC, Rotterdam


Inhoud:
* Campus workshop eindpresentatie
* Presentatie Spee Slik Doepel
* Presentatie Lofvers, van Bergen & Kolpa
* Presentatie Paul Toornend
* Discussie


Campus workshop eindpresentatie

Aanwezig:
H. Belhirch, J. van Bergen, D. Doepel, J. van Eenenaam, G. Enzerink, J. Evers, M. Hage, O. den Hartogh, T. van Heusden, E.Hooge, P. Hoogvliet, B. Jansen, L. Jongejans, W.Kempinga, E. Kolpa, J. de Kreuk, H. Lammers, W. Lofvers, L.Oortwijk, J. Paul, E. Poot, M.Provoost, A. Pronkhorst, S.Rots, F. Rottenberg, A. van der Slik, B. Spee, S. Steens, P. Toornend, W. Vanstiphout, C. de Vlaam, H. Westdijk.


Inleiding

Voorafgaand aan de presentaties van de drie architectenbureaus benadrukt voorzitter W. Vanstiphout dat de drie ontwerpen ter verduidelijking van de discussie over de uiteindelijke programma en vorm van de campus dienen. De ontwerpen vormen een mogelijkheid om op concretere manier over de campus te praten. Er is geen sprake van een wedstrijdelement. Tijdens de bijeenkomst gaven de drie bureaus een presentatie van hun ontwerpen. Na afloop was er tijd voor reacties en discussie.


Presentatie Spee Slik Doepel

Spee Slik Doepel heeft twee voorstellen gedaan voor een campus in de wijk Meeuwenplaat, namelijk een combicluster en hergebruik van de bestaande bebouwing. In het combiclusterplan maken de drie scholen gebruik van hun eigen gebouw maar profiteren van elkaars identiteiten, zoals sport, cultuur en kennis. De identiteiten van de scholen zijn herkenbaar in de inrichting van de pleinen aan de voorzijde van de schoolgebouwen. De voorzieningen zijn geclusterd aan de Posweg. Deze weg is in het voorstel doorgetrokken richting het plein bij het metrostation. In dit voorstel zijn bovendien zeven verschillende woonblokken ontworpen die verspreid door het plangebied zijn gesitueerd en een relatie aangaan met de scholen. De combicluster gaat uit van een tabula rasa situatie en zal in 2010 gereed kunnen komen.
Het tweede model gaat uit van het hergebruik van de bestaande casco’s van de portieketagewoningen en galerijflats. De drie scholen hebben opnieuw dezelfde identiteiten maar zijn in dit voorstel ingecorporeerd in de bestaande bebouwing. De overige casco’s kunnen heringedeeld worden met woonfuncties en voorzieningen verspreid over de wijk, gekoppeld aan de fasering van de sloop. Er wordt meer openbare ruimte gecreëerd ten gunste van de campus door de privé-tuinen te plaatsen op balkons, hangend aan de casco’s. Het plan zal op zijn vroegst in 2009 gereed kunnen komen en behoeft nog een bouwhistorisch onderzoek en een technische haalbaarheid studie.
(zie: samenvatting en beelden plan Spee Slik Doepel)

Reacties
J. de Kreuk (Einstein) maakt zich zorgen over de afstand die de leerlingen moeten afleggen om van het ene naar het andere gebouw te komen. Hij is bang dat de scholen door deze opzet hun leerlingen tijdens de lessen verliezen. Deze mening wordt gedeeld door de anderen. Volgens J. van Eenenaam (Maasoevers) is het verspilde moeite om de technische haalbaarheid van het tweede model te berekenen.


Presentatie Lofvers, van Bergen & Kolpa

Lofvers, van Bergen & Kolpa hebben er voor gekozen het scenario van de Carpet Campus verder uit te werken tot een stedenbouwkundige visie. De identiteit van de scholen wordt bepaald door het clusteronderwijs: leerlingen van de drie onderwijsinstellingen delen lesruimten en faciliteiten die de verschillende clusters (gezondheid, handel, techniek, cultuur, economie en basisvorming) te bieden hebben. Bovendien zijn in dit plan de identiteiten van de scholen herkenbaar aan de entreegebouwen (homebase) die strategische verspreid staan in het plangebied. Deze zorgen voor de sociale momenten voor zowel leerlingen als docenten. In deze gebouwen zijn onder andere de administratieve functies en de kantine opgenomen. Centraal in het plangebied is ruimte voor een aantal hoofdvoorzieningen als een sporthal, bibliotheek en een auditorium.

(zie: samenvatting en beelden plan Lofvers, van Bergen & Kolpa)

Reacties
Er wordt opgemerkt dat het woonprogramma ontbreekt in dit plan.


Presentatie Paul Toornend

Paul Toornend presenteerde een uitwerking van zijn eerdere ontwerpvoorstel. Ruimtelijke uitgangspunten binnen dit plan zijn opnieuw de groene voegen en de getijdengeul. Deze leveren samen een kunstmatig natuurlandschap op, gekoppeld aan het metronetwerk. Er zijn bovendien negen lijnen/wegen gevoegd in het bestaande stedenbouwkundige plan van de Meeuwenplaat. Deze wegen worden geprojecteerd op de plekken die al bestaan, ze verbinden de wijk met de campus zonder de groenstructuur aan te tasten. De wegen zijn op zichzelf staand maar vormen tegelijkertijd een ruimtelijke eenheid. Ze lopen in principe dood maar verwijzen tegelijkertijd naar de oneindigheid van de natuur. Daarnaast zijn achttien voetpaden gevoegd in de bestaande structuur volgens hetzelfde principe als de negen wegen. Deze ruimtelijke situatie vormt de onderligger voor de campus. In dit landschap zijn vijf identieke architectonische en ‘begroeide’ constructies geplaatst die het landschap continueren en waarin de drie scholen zijn gehuisvest. In deze constructies is elk denkbaar programma mogelijk. Collectief door scholen en of wijk te gebruiken voorzieningen worden naar wens over de verschillende locaties verdeeld en de overige ruimte kan commercieel worden ontwikkeld.

(zie: samenvatting en beelden plan Paul Toornend)

Reacties
W. Vanstiphout vraagt zich af in hoeverre dit plan een campus kan huisvesten aangezien P. Toornend ervoor heeft gekozen geen specifieke programma’s te verwerken. Omdat het programma van eisen nog niet concreet is heeft P. Toornend besloten de gebouwen zo flexibel mogelijk te maken waardoor zij alle programma’s kunnen dragen. Het heeft geen zin om een programma toe te kennen wanneer deze nog niet duidelijk is.Voor speciale voorzieningen als een sporthal of auditorium is een specifieke oplossing bedacht in de vorm van een tafelconstructie op het dak van de gebouwen.


Discussie

W. Vanstiphout wijst een aantal participanten aan om een eerste reactie te geven en de pro’s en contra’s te noemen per gepresenteerd plan.
B. Jansen (dS+V) prijst de architecten voor hun inspanningen. In elk voorstel schuilen interessante thema’s die de ontwerpers van dS+V kunnen helpen bij denken over de campus. Vooral het thema hergebruik van Spee Slik Doepel spreekt haar aan, hoewel de rol van de metro te weinig naar voren komt in het plan. Het idee van pleinen als identiteitsdragers van de scholen is minder sterk. Het voorstel van Lofvers, van Bergen & Kolpa is interessant vanwege revolutionaire onderwijskundige uitgangspunten. Zij maakt zich niet veel zorgen over het feit dat het woonprogramma achterwege is gebleven. De presentatie van P. Toornend spreekt aan vanwege het landschappelijke element en de keuze voor één type gebouw. Het groeiproces richting eigen identiteit die scholen zullen meemaken in een dergelijke type gebouw is spannend. Zij is echter niet geheel overtuigd van het beeld van een doorgetrokken dijklichaam in combinatie met de getijdengeul. In het algemeen zijn de thema’s clustering, flexibiliteit en de relatie met het metrostation bruikbaar voor dS+V.

L.Jongejans (Einstein) vindt het voorstel van Spee Slik Doepel om te profiteren van ieders specialiteiten erg aantrekkelijk. Hij maakt zich echter wel zorgen over het feit dat leerlingen de woningen moeten passeren om de gebouwen te bereiken. Overlast van leerlingen is mogelijk (‘blikjes in de tuin’). Hij is minder enthousiast over de onderwijskundige visie van bureau Lofvers, van Bergen & Kolpa omdat hij vreest dat de scholen hun identiteit en beheersbaarheid verliezen. Hij is er van overtuigd dat een homebase als identiteitsdrager niet werkt. Leerlingen eten liever buiten de deur. Bovendien is deze structuur ook niet geschikt voor de jongste leerlingen. Voor oudere leerlingen zou het eventueel wel werken. Het landschappelijke plan van P. Toornend zal tevens problemen opleveren met de beheersbaarheid van de leerlingen. Je raakt ze snel kwijt. W.Vanstiphout wil van Jongejans weten welke voorzieningen nog meer nodig zijn om van de homebase een echte identiteitsdrager te maken. Volgens L. Jongejans bepaalt de wisselwerking tussen het (kleinschalige) gebouw en de leerlingen de echte identiteit. Deze verlies je wanneer leerlingen elders onderwijs volgen. O. den Hartogh (Zadkine) merkt op dat het plan van Lofvers, van Bergen & Kolpa doet denken aan een kostschool. Toch zitten er sterke elementen in het plan die inspelen op de huidige onderwijsontwikkelingen. Het is echter te weinig geschikt voor de jongere leerlingen. Den Hartogh vindt dat de scholen in het plannen van Spee Slik Doepel, in tegenstelling tot die van Lofvers, van Bergen & Kolpa, een te intieme relatie aangaan met de woningen. Tegelijkertijd moet de school ook echt iets toevoegen wil zij de leerlingen überhaupt aan zich kunnen binden.
S. Steens (Zadkine) toont zich minder pessimistisch over het verlies van leerlingen in de woonwijk. Een goed pedagogisch klimaat wordt volgens hem gecreëerd door goed personeel in plaats van een gebouw. Bovendien bieden de voorzieningen voldoende argumenten voor de leerlingen om te blijven. Het idee van de homebase spreekt aan omdat dit een goede vertaling van de vernieuwende onderwijskundige visie is. Het vormt een hoogtepunt binnen de voorstellen. Hij begrijpt echter wel de inhoudelijke reacties van zijn collega’s.
G. Enzerink (Penta) deelt de zorg over de relatie van de campus met de omwonenden. Hij ziet liever dat de jongste leerlingen in een meer gesloten bouwblok les krijgen. De meerwaarde in alle plannen zit vooral in de kwaliteit van de aanvullende voorzieningen.
F. Rottenberg geeft aan dat de scholen het voortdurend hebben over het dwaalgedrag van de leerlingen. Het is ook mogelijk om dit om te draaien en het dwaalgedrag van de leerlingen te erkennen en onderdeel van de ontwerpopgave te zien. L. Jongejans is het hier niet mee eens. Hij zoekt naar een kleinschalig gebouw waarin het dwaalgedrag voorkomen kan worden. De grootschaligheid kan juist gevonden in de gebouwen waarin gezamenlijke voorzieningen als sport en cultuur ondergebracht worden.
J. Lammers (Einstein) vraagt zich af of er in de plannen voldoende rekening is gehouden met de geestelijke ontwikkeling van de jonge leerlingen. In de plannen is geborgenheid in de gebouwen nauwelijks mogelijk terwijl zij hier op deze leeftijd juist behoefte aan het hebben. S. Steens merkt opnieuw op dat geborgenheid veroorzaakt wordt door het schoolklimaat en personeel en niet door architectuur. Deze geborgenheid is in alle gepresenteerde architectonische concepten mogelijk.

W. Vanstiphout vraagt J. van Eenenaam (Maasoevers) een reactie te geven op de plannen. Van Eenenaam ziet in de plannen een kans om Hoogvliet hoger op de onderwijslat te laten stijgen. Maasoevers is bereid zich dienstbaar op te stellen aan de plannen maar wil zo snel mogelijk over een concreet en hard programma beschikken om aan de omwonenden te presenteren. Zij moeten weten wat er in hun achtertuin gaat gebeuren. Een goede interactie tussen de omwonenden en de scholen is essentieel voor het slagen van de campus. Vanstiphout wil van J. van Eenenaam weten of zijn voorkeur uitgaat naar een scholencluster of juist de scholen langzaam te mengen in woonbebouwing. De geestelijke ‘verdwaling’ in het eerste plan van Spee Slik Doepel heeft wat Eenenaam betreft geborgenheid nodig. De voorstellen in datzelfde plan voor de woonconcepten en de voorzieningen zijn interessant. Het plan van Lofvers, van Bergen & Kolpa is zeer helder en daarom ook goed over te brengen naar de bewoners. Het als het ware een campus met een hek er omheen en geldt minder voor het plan van Spee Slik Doepel. De flexibiliteit van de identieke gebouwen van P. Toornend zijn erg sterk en bruikbaar. Hij verzoekt tenslotte zowel WIMBY! als de scholen zo snel mogelijk met een solide programma te komen om de omwonenden te informeren.
P. Hoogvliet (Vestia) is het met J. van Eenenaam eens dat een campus één van de belangrijkste manieren is om Hoogvliet op de kaart te zetten. De campus levert een bijdrage aan de mentaliteit van Hoogvliet. Zijn voorkeur gaat uit naar kleinschalige schoolgebouwen. Hij betreurt het dat de drie scholen het niet eens met elkaar kunnen worden over de vorm van de campus. Dat dit snel gebeurt, is van groot belang voor de voortgang van het project.

T. van Heusden (DSO) benadrukt dat de DSO alleen mee kan werken aan de campus als er sprake is van een verticale doorstroming tussen de scholen. Vooral in het plan van Lofvers, van Bergen & Kolpa vindt hij deze terug. De integratie van het onderwijs moet echter ook hier goed afgewerkt worden. Het plan van P. Toornend biedt minder mogelijkheden om efficiënt om te gaan met de verschillende functies. Het is moeilijk om het plan te zien op schoolniveau. Hij merkt bovendien op dat de eerste twee plannen uitgaan van extreem extensief ruimtegebruik, waardoor ze erg kostbaar worden. Dit geldt in mindere mate voor het plan van Toornend vanwege de hogere dichtheid. De combinatie van wonen en onderwijs van Spee Slik Doepel vindt hij persoonlijk erg aantrekkelijk maar weet niet of deze menging wenselijk is. Hij adviseert de scholen gezamenlijk naar de plannen te kijken en het eens te worden over het definitieve programma van eisen.
E.Poot (dS+V) drukt de participanten op het hart zich uiteindelijk niet te laten leiden door de berekeningen van OBR. Er moet in eerste instantie gekeken naar de essentie van de plannen, vervolgens een concept te kiezen en pas later te kijken naar de effecten ervan. Op basis van de berekeningen kan deze in een later stadium nog aangepast worden.
M. Hage (OBR) vraagt allen rekening te houden met vaststaande zaken als de ondergrondse bekabeling etcetera.

F. Rottenberg concludeert ten slotte dat het een belangwekkende bijeenkomst is geweest. Er is sprake van een unieke samenwerking. J. van Eenenaam beaamt dit en voegt er aan toe dat het nu tijd is gekomen om de zaken onomkeerbaar te maken en het gemeentebestuur van de plannen te overtuigen.
Laatst gewijzigd: 15 dec 2003