|
| |
|
Eerder verschenen in de Volkskrant op 25 mei 2007
Aan de vooravond van het rijksinitiatief om van veertig probleemwijken veertig prachtwijken te maken moeten we een belangrijke constatering doen: het gaat hier om een grootschalige operatie die naar men zegt op kleinschalige wijze uitgevoerd zal worden, met inachtneming van de eigenzinnigheden en specifieke eigenschappen van elke wijk. Minister Vogelaar bezoekt iedere toekomstige prachtwijk en praat over een specifieke aanpak, de kleine schaal en de menselijke maat. Maar hoe realistisch is de hoop op een kleinschalig resultaat wanneer de organisatie en de structuren waarbinnen de transformaties gaan plaatsvinden stuk voor stuk grootschalig zijn? Sterker nog, de roep om kleinschaligheid, om nu echt naar de mensen te gaan luisteren, is een verschijnsel dat even oud is als de grootschaligheid zelf. Om de zoveel tijd wordt op partijcongressen, tijdens verkiezingsbijeenkomsten en in vergaderzalen een soortgelijke destalinisatie toegepast. Vaak is kleinschaligheid het thema van ‘nieuwe’ politiek, maar of het nu gaat om de Nieuw Linkse wethouders in de jaren zeventig of de Fortuyn-revolutie kort geleden, steeds is de uitkomst hetzelfde: een van bovenaf opgelegde kleinschaligheid, waarvan de menselijke schaal en het beter luisteren naar de burger retoriek blijft. Een curieus maar onuitroeibaar bijverschijnsel van de pseudo-kleinschaligheid is een toevloed van adviesbureaus, interim-managers en consultancies, die zich toeleggen op bijvoorbeeld zorg of onderwijs. Er zijn adviseurs die zijn gespecialiseerd in het begeleiden van de bouw van zorgboulevards; een andere is weer gespecialiseerd in de brede school. Hun opdrachtgever is een zorgverzekeraar, een woningcorporatie of een dienst onderwijs. Overal gelden dezelfde normbedragen die artsen of scholen per leerling of per patiënt kunnen besteden en dezelfde norm-oppervlaktes die zij per klas of per functie mogen bouwen. Het resultaat is formule-achtige oplossingen door het hele land, los van de specifieke omstandigheden op elke plek.
Wat er natuurlijk zou moeten gebeuren is dat voor elk specifiek geval gezocht wordt naar de beste vorm van nieuwbouw. De huisarts, de apotheker of de schooldirecteur zou de rol van opdrachtgever en bouwheer moeten spelen, omringd door een teampje van uitvoerders en ambtenaren die naar zijn pijpen dansen. Dat zou echte kleinschaligheid en menselijke maat zijn, maar is nu en in de nabije toekomst vrijwel uitgesloten. Daarvoor is al teveel macht, beleid en geld vastgezet in schoolbesturen, zorgverzekeraars en bijna onafhankelijk opererende gemeentelijke diensten. Zowel de politiek als de mensen uit de praktijk hebben de macht over onderwijs en zorg zo goed als verloren. Wie is bereid om het primaat weer bij de arts en de schooldirecteur te leggen? Dat zou namelijk een unilaterale, compromisloze belegering van het maatschappelijk middenveld vergen. En welke politieke partij zou daartoe het initiatief durven nemen? Ook die partijen, links èn rechts, zijn immers de natuurlijke habitat geworden voor de afdelingshoofden, commissarissen en bestuurders en ook voor de consultants en adviseurs.
Bij de veertig probleemwijken gaat het dikwijls om de wijken die twintig jaar geleden door de stadsvernieuwing zijn aangepakt, maar die nu alweer aan een nieuwe intensive care behandeling toe zijn. Waartoe leidt binnen de huidige omstandigheden een enorme injectie van politiek en financieel kapitaal? In het slechtste geval tot het uitrollen van vele formule-achtige oplossingen voor wijken die alleen de willekeurige overeenkomst hebben ‘probleemwijken’ te zijn. Uiteraard wordt hen voorgehouden dat de transformaties superspecifiek, lokaal en eigenzinnig zullen zijn. Maar daarbij wordt systematisch onderschat hoe de diep ingebedde grootschalige mechanismen het in feite onmogelijk maken dat een wijk vanuit zijn eigen eigenaardigheden wordt ontwikkeld. Zonder een hoofdrol voor hun eigen talenten en élites groeien ze niet uit tot de best mogelijke versie van zichzelf, maar tot een bleke kopie van de laatste trend. De positie van de minister lijkt bijna onmogelijk: hoe kan zij van bovenaf echte kleinschaligheid opleggen, terwijl in de afgelopen jaren steeds meer controlemiddelen over de diensten en corporaties uit de handen van de politiek zijn geglipt? Het risico van de probleemwijkenaanpak is dan ook dat een schijnbaar kleinschalige en participatieve stadsvernieuwing wordt uitgerold over de wijken, met veel te weinig inzet van de lokale kennis en ambities en een veel te grote kans voor adviesbureaus, consultants en standaardoplossingen.
Wijzelf zijn tot de conclusie gekomen dat er wel degelijk een uitweg is uit deze jungle van beleid, die zo complex is dat zelfs onze leiders hem zien als een natuurverschijnsel. Het vergt alleen uitzonderlijke moed, geduld en generositeit, van politici, de ambtenarij en de corporaties. De afgelopen zes jaar hebben wij van zo’n uitzonderlijke situatie gebruik kunnen maken, temidden van de herstructurering van Hoogvliet, (destijds) een probleemwijk van Rotterdam. Naar een voorstel van wethouder Herman Meijer ging daar in 2001 onze organisatie WiMBY! (Welcome into My Backyard!) van start. De grootschalige sloop-nieuwbouwoperatie die de corporaties waren gestart, had als doel de vervanging van een derde van alle woningen in Hoogvliet. Ondertussen werkten wij aan een ‘acupunctuurbehandeling’ van dit versleten stadsdeel: we pleegden ingrepen die heel precies zijn gepositioneerd in de ruimtelijke netwerken, maar vooral ook in de netwerken van mensen en ondernemingen waaruit Hoogvliet bestaat. Door het realiseren van kleinschalige projecten hebben wij geprobeerd van Hoogvliet opnieuw een levendig en aantrekkelijk stadsdeel te maken, een prachtwijk zogezegd. Concreet betekent dit dat wij hele precieze coalities hebben gesloten met allerlei partijen in Hoogvliet, met name de corporaties Vestia en Woonbron en de deelgemeente Hoogvliet, maar ook met bewoners, ondernemers en belangengroepen.
Zo ontstonden een groots recreatiepark, de Heerlijkheid Hoogvliet, met een vijver in de vorm van Nederland, een immense ecologische berg, een natuurbouwspeelplaats en een arboretum. Klapstuk van de Heerlijkheid is de Villa: een culturele feestzaal, café restaurant, en bioscoop. We hebben een (vooralsnog onuitgevoerd) project voor de Proeffabriek op poten gezet, een nieuw educatief icoon voor de petrochemische industrie, dat deze sector weer midden in het bewustzijn plaatst van de jeugd. We hebben een buurt ontwikkeld, die door de bewoners zelf in elkaar gezet wordt samen met architecten. De buurt voldoet aan hun gemeenschappelijke eisen, die voortkomen uit hun gedeelde obsessie met ecologie of hun professie als muzikant. Dan zijn er de drie SchoolParasites, prachtige, sprookjesachtige en inmiddels al vier jaar zeer geliefde alternatieven voor de deprimerende noodgebouwen waar een basisschool het soms jarenlang mee moet doen. We hebben allerlei projecten bedacht voor het uitbuiten van Hoogvliets belangrijkste grondstof: het groen. Het Groene Voegen project is een handleiding voor de verfraaiing van de verkeerswegen in Hoogvliet door het manipuleren van de gewone gemeentelijke beheers en onderhoudsmechanismen; de Klimaatakkers combineren serieuze vragen over de klimaatveranderingen met een herinrichting van de openbare ruimte in modernistische wijken. Dan is er de stedenbouwkundige handleiding Logica, een tactisch instrument voor het destilleren van de grote ruimtelijke lijnen van Hoogvliet. Logica heeft geleid tot een planningsmachinerie op de schaal van heel Hoogvliet die inmiddels vijf jaar functioneert. Tot slot is er de Campus, een project voor drie middelbare scholen bij een metrohalte, gericht op onderwijsvernieuwing en gebiedsontwikkeling; een project dat ondanks zijn maatschappelijke urgentie door bureaucratische traagheid en tactisch positiespel nog niet ten uitvoer is gebracht. Deze stortvloed aan projecten, deels voltooid, deels in aanbouw en deels in ontwikkeling, heeft een gemeenschappelijk doel. We willen dat Hoogvliet verandert op de lange termijn – niet perse binnen één collegeperiode – in een stedelijke wijk die levendig is, aantrekkelijk en die zo is ingericht dat zij de emancipatie, ofwel de sociale stijging, van haar bewoners bevordert. We hebben geen bevolkingspolitiek bedreven door middel van de sloophamer, maar probeerden de plaatselijke karakteristieken te begrijpen en uit te buiten en de lokale ambitie en daadkracht te mobiliseren.
Maar zelfs in Hoogvliet, waar wij de luxe hadden om te werken met steun van machtige stakeholders zoals het rijk, de gemeente en twee woningcorporaties, raakten wij regelmatig verstrikt in het web van verzelfstandigde diensten, corporaties verwikkeld in positiespel en overal opduikende adviesbureaus en consultants. Sommige projecten gingen hieraan ten onder, zoals de Proeffabriek of een project om maisonnetteflats te hergebruiken voor woongroepen voor alleenstaande moeders en jongeren. Een project dat uitzonderlijk is (in zijn vorm of in de manier waarop het tot stand komt) roept nu eenmaal een massieve vorm van weerstand op. Deze weerstand is te verklaren vanuit simpele mechanismen: regels en bureaucratie zijn op een -op zichzelf legitiem idee- van egalitarisme gebaseerd, zodat iedereen overal hetzelfde behandeld wordt. Voor uitzonderingen is dan moeilijk een plek te vinden. Een uniek project, dat net zo uniek is als de mensen met wie je het wil realiseren, veroorzaakt onvermijdelijk ernstige afstotingsverschijnselen. Dit kan zich uiten in traagheid en passieve weerstand, maar soms ook in actieve tegenwerking. De projecten die wél zijn of worden gerealiseerd berusten dan ook voor 15% op inventie en ontwikkeling en voor 85% op vechten tegen weerstand. Dat is een ontnuchterende verhouding, voor een project als WiMBY! dat in feite een oase had moeten zijn van vrijheid en experimenteerdrift in een woestijn van business as usual en grootschaligheid.
Terug naar de betekenis voor Nederland als een geheel: wat zijn de lessen die wij in Hoogvliet hebben geleerd? We gezien dat ook de gemeentelijke diensten, de woningcorporaties en de bestuurders beseffen dat het anders moet, dat zijzelf ook worstelen met hun eigen grootschaligheid en gebrek aan flexibiliteit. In Hoogvliet heeft de jarenlange worsteling geloond, omdat er ook doorbraken zijn geweest, waarbij machtige bureaucratische organisaties ineens al hun formules en systemen lieten varen, om één goed schoolgebouwtje te realiseren, of één prachtige cultuurzaal te ontwikkelen, zoals woningcorporatie Vestia dat deed met de Villa de Heerlijkheid in Hoogvliet. Daarnaast beseffen we heel goed dat Hoogvliet een uitzonderlijke plek is, maar dat alle plekken uitzonderlijk zijn. Beleid, in de zin van een samenhangend of in elk geval grootschalig web van regels, voornemens, jargon, geldstromen en normen vanuit de rijksoverheid, kan een dodelijk effect hebben juist op de uniciteit van plekken en de daadkracht van de mensen uit de praktijk. Hoe kan de realiseringsmacht terug worden gegeven aan de mensen in wiens direct belang het is? Door een overheid die niet weer een heel nieuw web van beleid gaat spinnen, maar een overheid die ontregelt, ontgijzelt, die keihard ingrijpt als zij ziet dat er scholen en huisartsen en bewoners en ondernemers verstikt worden door out of control bureaucratie en consultancies. Een overheid die politieke verantwoordelijkheid neemt voor de mogelijkheid van mensen uit de praktijk van alledag, om op de schaal en in de vorm die bij hun past, maatschappelijk relevante projecten uit te voeren. Een overheid die zich daarbij niet verschuilt achter beleid of controle, maar die eigen initiatief en ongelijkheid beloont. Dat is de overheid waaraan wij behoefte hebben gehad in Hoogvliet, en die wij de toekomstige prachtwijken toewensen.
Michelle Provoost, Felix Rottenberg en Wouter Vanstiphout
|
|
|
|