Opgave Campus
Datum, gelegenheid: geschreven t.b.v. de workshop juni 2003
Wat we met de campus willen is een school die op een nieuwe manier in de bestaande stad is ingepast om er zowel ruimtelijk als cultureel een zo bijzonder mogelijke rol in te spelen. De sterke contrasten in de opgave moeten worden gezocht en uitgebuit. Het belangrijkste contrast is één van schaal: dat tussen de regionale schaal van de school zoals gedicteerd door het ROC, de ligging bij de metro en de betekenis voor het regionale imago van Hoogvliet en aan de andere kant de zeer lokale schaal van de afzonderlijke scholen met hun eigen sfeer en identiteit en maatschappelijke functies die zijn ingebed in de bebouwing en beplanting van Meeuwenplaat. Dit schaalcontrast komt voort uit de vraag die achter het campus idee zat: hoe gebruiken we de voordelen van schaalvergroting zonder de nadelen? Hoe laten we scholen en zelfs de wijken er omheen profiteren van gedeelde voorzieningen en een integraal proces, zonder dat dit ook leidt tot een ruimtelijke schaalvergroting (een groot gebouw) en een complex proces waarin alles van elkaar afhankelijk is en daardoor een doel op zichzelf gaat worden? We worden net als in de Heerlijkheid geconfronteerd met WiMBY! Plannings Paradox #2. (WPP#2.‘): om iets te maken dat losjes en kleinschalig is verweven met haar omgeving moeten we het strak en van bovenaf plannen; top-down>bottom-up.

De WiMBY! Scholencampus moet haar kwaliteiten niet ontlenen aan de manier waarop zijzelf een optelling is van programma’s binnen één integraal vormgegeven object dat met enkele wijzigingen overal gebouwd zou kunnen worden. We zijn niet op zoek naar een nieuwe typologie die als zodanig navolging kan vinden. De Campus moet haar kwaliteit en haar uitstraling ontlenen aan de manier waarop ze is verweven mèt, of zelfs opgelost in haar omgeving en aan het feit dat haar integraliteit nauwelijks opvalt, behalve in het gebruikersgemak. We streven twee tegenstrijdig lijkende doelen na. Vanuit Hoogvliet en Meeuwenplaat gezien moeten de scholen en hun voorzieningen zo vanzelfsprekend mogelijk een verlengstuk worden van het deelgemeentelijk leven en werken. Dat betekent dat het ensemble-aspect een onopvallende rol moet spelen ten gunste van de gezamenlijke kwaliteit van de wijk waarin de scholen staan. Vanuit de regio gezien moet het scholencomplex een zo samenhangend en aantrekkelijk mogelijk imago hebben van een modern, opvallend scholencomplex in een mooie, onmiddelijk bereikbare, suburbane omgeving. Hier moeten de wijk en de deelgemeente dus een logisch verlengde vormen van het leven en werken in de school. Op deze schaal moet de school ook kunnen fungeren als een uniek attribuut en zelfs een ‘postcard-image’ voor Hoogvliet als geheel.

De eis aan de campus is dat hij van veraf groot en opvallend moet zijn en van dichtbij klein. Dat stelt bepaalde eisen aan het ontwerpproces. Het betekent niet dat we zodra we de precieze visies en eisen van de diverse partijen bij elkaar hebben we deze gaan optellen en het concept als het ware van binneuit opbouwen, maar dat we juist uit-zoomen en vanuit de helicopter de opgave bekijken. Dat komt er praktisch op neer dat we eerst kijken naar de totale slooplocatie tussen De Aveling en de Metrolijn waar de campus in moet komen. We vergeten de eerste schetsen van Maxwan en kijken naar een veel bredere opgave namelijk voor het slopen en nieuwbouwen van een hele buurt. De nieuwe buurt zal gethematiseerd worden door de aanwezigheid van drie scholen op regionaal niveau en een aantal culturele en andere voorzieningen op de schaal van de deelgemeente, die met elkaar zijn gecombineerd in een netwerk van nog onbekende zichtbaarheid en compactheid.

We kunnen pas oordelen over de gewenste compactheid van het campusnetwerk waarin de scholen worden ondergebracht, als we ze bekijken vanuit de wijk zelf. De architectuurideeën moeten niet alleen maar komen vanuit de programma’s van de scholen maar vanuit hun verweving met elkaar,de wijk en het metrostation. De Logica-studie geeft ons al genoeg randvoorwaarden voor de positie in Hoogvliet als geheel en voor dit deel van Meeuwenplaat. Dit deel van Meeuwenplaat heeft precies de schaal van één van de onderdelen van de deelgemeente met een duidelijke eigen identiteit. Zij moet deze duidelijk uitstralen naar de twee voegen: metrobuis en Aveling. En het groen moet er doorheen zijn geweven zodat het overal haar aanwezigheid doet gelden. In een andere door WiMBY! en de deelgemeente gesteunde toekomstvisie grenst deze campuswijk aan de Getijdengeul.

Binnen deze randvoorwaarden moeten brede stedenbouwkundige en programmatische vragen worden gesteld. De belangrijkste is deze. Er zijn twee uitersten in de manier waarop de campus zich kan verhouden tot de wijk. De eerste is die waarin de Campus een territorium is binnen de wijk dat duidelijk onderscheidbaar is van de andere delen van de wijk. Dat zou betekenen een vrij letterlijke toepassing van het campus model: een aantal gebouwen rond een open plek die uiteraard voor iedereen toegankelijk is maar wel wordt gedomineerd door de scholen en de maatschappelijke functies die zij delen met de wijk. De campus zou fungeren als een centrale plek in het wijkleven.

Het andere uiterste is die waarin we het niet laten bij het opdelen van de campus in drie of vier verschillende eenheden (3 scholen en maatschappelijk gebouw) maar de scholen en het maatschappelijk programma verder opdelen in kleinere eenheden die we op de meest vruchtbare manier vermengen met de 250 woningen, de winkels, en de voorzieningen in de wijk. In deze variant zou de scholencampus overal in de wijk aanwezig zijn, zoals de verschillende instituten en dependances verspreid zijn over het centrum van een universiteitsstad, maar dan in een suburbaan model, met voorgezet onderwijs.
Laatst gewijzigd: 25 nov 2003